50/30/20-regel berekenen: verdeel je netto-inkomen

Nagekeken door Gianni Van Schoor

Invoervelden
Wat er na belasting en premies op je rekening komt, plus ander vast inkomen zoals kinderbijslag of toeslagen.
€
Kies 60/20/20 als je woonlasten alleen al meer dan de helft van je inkomen opslokken, of stel zelf de percentages in.
Huur of hypotheek, energie, boodschappen, verzekeringen, vervoer naar je werk en de verplichte aflossing op je schulden.
€
Uit eten, streamingdiensten, hobby's, vakanties en alles wat je in een krappe maand kunt schrappen.
€
Geld naar je spaarrekening, beleggingen, pensioen of extra aflossingen.
€

Vaste lasten (50%): €1.250. Persoonlijke uitgaven (30%): €750. Sparen en aflossen (20%): €500

Resultaat

  • 50/30/20
  • Per maand
Vaste lasten (50%)
€1.250
Persoonlijke uitgaven (30%)
€750
Sparen en aflossen (20%)
€500
Grafiek laden...
€2.500
Netto-inkomen
  • Vaste lasten50,0%€1.250
  • Persoonlijke uitgaven30,0%€750
  • Sparen en aflossen20,0%€500

Over deze 50/30/20-calculator

Met deze 50/30/20-calculator maak je van je netto maandinkomen een eenvoudig budget: de helft voor vaste lasten, 30% voor persoonlijke uitgaven en 20% voor sparen en extra aflossen. Vul onder "Meer opties" in wat je echt uitgeeft, en je ziet per pot hoeveel je boven of onder de regel zit, wat er nog niet is ingedeeld en wat je spaarquote is. Zijn je woonlasten hoog, kies dan 60/20/20 of stel zelf de percentages in. Je krijgt elke maand dezelfde drie bedragen, zodat je per pot eenvoudig een vaste overschrijving instelt.

Hoe de 50/30/20-verdeling berekend wordt

Elke pot is je netto-inkomen maal zijn aandeel: €2.500 x 50% = €1.250 voor vaste lasten, €2.500 x 30% = €750 voor persoonlijke uitgaven en €2.500 x 20% = €500 voor sparen en aflossen. Geef je echt €1.400, €700 en €250 uit, dan zit je €150 boven de regel bij vaste lasten, €50 eronder bij persoonlijke uitgaven en €250 eronder bij sparen; €2.500 - €2.350 = €150 is nog niet ingedeeld en je spaarquote is €250 / €2.500 = 10%. Met de 60/20/20-verdeling geeft dezelfde €2.500: €2.500 x 60% = €1.500, €2.500 x 20% = €500 en €2.500 x 20% = €500.

Praktische tips en ondersteunende calculators

Wat deze 50/30/20-calculator doet

Je vult je netto maandinkomen in en de calculator verdeelt het over drie potten. Vaste lasten zijn de kosten die je moet betalen om te wonen en te werken, persoonlijke uitgaven zijn alles wat je in een krappe maand kunt laten vallen, en de laatste 20% gaat naar sparen, beleggen en extra aflossen. Een taartgrafiek toont de verdeling. Onder "Meer opties" vul je in wat je echt per pot uitgeeft: dan zie je het verschil per pot, het geld dat nog niet is ingedeeld en je spaarquote. Geef je meer uit dan je verdient, dan toont een waarschuwing het tekort per maand.

Rekenvoorbeeld

Je verdient €2.500 netto per maand. De regel geeft €1.250 voor vaste lasten, €750 voor persoonlijke uitgaven en €500 voor sparen en aflossen. In werkelijkheid geef je €1.400 uit aan vaste lasten, €700 aan persoonlijke uitgaven en spaar je €250. Vaste lasten zitten €150 boven de regel, persoonlijke uitgaven €50 eronder en sparen €250 eronder; €150 is nog niet ingedeeld en je spaarquote is 10%. Zet je de €150 die nog niet is ingedeeld en €100 die je bespaart op vaste lasten, bijvoorbeeld door over te stappen van verzekeraar of energieleverancier, op je spaarrekening, dan spaar je €500 en verdubbelt je spaarquote naar 20%.

Vaste lasten of persoonlijke uitgaven?

Vaste lasten zijn kosten die je niet kunt overslaan zonder echte schade: huur of hypotheek, energie en water, gewone boodschappen, zorgverzekering, vervoer naar je werk en de verplichte aflossing op elke schuld. Persoonlijke uitgaven zijn keuzes: uit eten, streamingdiensten, kleding boven het nodige, vakanties en hobby's. De weekboodschappen zijn noodzakelijk en horen in de pot vaste lasten, de afhaalmaaltijd hoort bij persoonlijke uitgaven. Een simpel telefoonabonnement van €20 is een vaste last, de €25 extra per maand voor het nieuwste toestel een persoonlijke uitgave. Wie zijn uitgaven van de laatste drie maanden zo indeelt, ziet snel waar de €750 voor persoonlijke uitgaven echt naartoe gaat.

Wanneer je de verdeling aanpast

De 50/30/20-regel gaat ervan uit dat je woonlasten en andere vaste kosten in de helft van je inkomen passen. In grote steden slokt de huur alleen al vaak 40% of meer op, en komen vaste lasten eerder rond 60% uit. De 60/20/20-verdeling houdt 20% voor sparen en haalt de extra ruimte uit persoonlijke uitgaven: bij €2.500 is dat €1.500 voor vaste lasten, €500 voor persoonlijke uitgaven en €500 voor sparen. Met een eigen verdeling vul je drie percentages naar keuze in, bijvoorbeeld 65/25/10 op €2.500: €1.625, €625 en €250. De calculator rekent alleen als je percentages samen precies 100% zijn.

Wat in de 20% hoort

De spaarpot is geld voor later: een buffer, pensioen, beleggen en elke aflossing boven het verplichte bedrag. De verplichte aflossing zelf hoort bij vaste lasten, want wie die overslaat, betaalt extra kosten en riskeert een negatieve registratie. Een logische volgorde is eerst een kleine buffer, dan dure schulden zoals een creditcard of doorlopend krediet, daarna een volledige buffer van enkele maanden vaste lasten en pas dan beleggen voor de lange termijn. Een gangbaar begin: van de €500 per maand gaat €250 naar de buffer en €250 naar extra aflossingen.

De 50/30/20-verdeling bij verschillende inkomens

Omdat elke pot een vast aandeel is, groeien de bedragen mee met je inkomen. Bij €2.000 netto per maand geeft de regel €1.000 voor vaste lasten, €600 voor persoonlijke uitgaven en €400 voor sparen. Bij €3.500 is dat €1.750, €1.050 en €700, en bij €4.000 €2.000, €1.200 en €800. Met een laag inkomen is 50% voor vaste lasten meestal te krap, want de huur daalt niet mee met je loon; met een hoog inkomen is het ruim en wordt meer dan 20% sparen haalbaar. Gebruik de verdeling als vertrekpunt en pas de percentages aan je situatie aan.

Zo stel je je budget op in vier stappen

  • Vul je netto-inkomen in van je loonstrook of bankafschrift, niet je brutoloon.
  • Lees de drie bedragen af en leg ze naast je uitgaven van de laatste drie maanden.
  • Open "Meer opties", vul je echte totalen per pot in en kijk welke pot te hoog zit.
  • Schuif geld van de pot die te hoog zit naar sparen en stel op je betaaldag een vaste overschrijving in voor de 20%.

Veelgemaakte fouten

  • Rekenen met je brutoloon: de regel werkt op netto, dus €2.500 netto is een heel ander budget dan €2.500 bruto.
  • Het verplichte deel van een aflossing als sparen tellen: alleen wat je extra aflost, hoort in de 20%.
  • Jaarlijkse kosten vergeten: deel verzekeringen, wegenbelasting en cadeaus door 12 en tel ze bij de potten op.
  • De verdeling nooit meer bijstellen: kijk er opnieuw naar na een loonsverhoging, een verhuizing of een nieuwe lening.

Wat deze calculator niet doet

  • Hij houdt geen losse uitgaven of categorieën bij; je vult totalen per pot in.
  • Hij rekent je brutoloon niet om naar netto.
  • Het is een budgethulpmiddel, geen financieel advies.

Ondersteunende calculators

  • Loon per maand: gebruik de Looncalculator om een uurloon of jaarloon om te rekenen naar het maandloon waarmee je budgetteert.
  • Laat de 20% groeien: gebruik de Spaarcalculator om te zien wat je maandelijkse spaarpot over de jaren met rente oplevert.
  • Je buffer berekenen: gebruik de Buffercalculator om te zien hoe groot de financiële buffer is die je eerst met de spaarpot van 20% opbouwt, en hoeveel maanden dat duurt.

Woordenlijst en veelgestelde vragen over de 50/30/20-regel